Geplaatst

BURGEMEESTER

De afgelopen week zag ik hem op het NOS-journaal èn in Studio Sport verschijnen. Het moeten zijn finest seconds zijn geweest.
Want hij zal zeker genoten hebben van zijn rol in de Waalwijkse raadsperikelen, die vrijwel synchroon liepen met de Tilburgse gemeentesoap. Als burgemeester had hij immers veel van doen met de redding van RKC. Iets dat hij vroeger, als fervent doch anoniem supporter, nooit had durven dromen.
Nu zat hij, in het journaal, naast de hoofdsponsor aan de perstafel. Hij was, sinds ik hem voor het laatst gezien had, niets veranderd. Nog steeds die licht opgetrokken wenkbrauwen, en die doordringende, ietwat satanische blik.
Zo kende ik hem maar al te goed. Lang geleden maakte ik Nol Kleijngeld mee als geschiedenisdocent aan het Pauluslyceum. Als voornoemde blik op jou bleef rusten, moest je oppassen. Als hij op je gedrag reageerde met een grinniklachje, werd de toestand kritiek. ,,Vooral niet mee lachen" werd je in de eerste week door ervaren scholieren in gefluisterd.
Converseren tijdens de les was levensgevaarlijk. Zelfs blikken van verstandhouding konden fatale gevolgen hebben.
,,Hebben jullie oogcontact?" vroeg Kleijngeld dan, met vuur schietende pupillen, en vervaarlijk zwellende halsaders.
,,Nee, meneer."
,,Jawel! Ik zie duidelijk dat jullie oogcontact hebben! Waar gaat dat over?"
Indien je bleef ontkennen, barstte de bom, en riep hij ,,Gatverdomme!".
Hierna volgde een tirade, waarbij hij zijn gatverdommes als een mantra herhaalde.
Uiteindelijk kon je vertrekken, zonder te weten waarom eigenlijk.
Aan dat alles moest ik denken, toen ik hem op het journaal aanschouwde. Hij overzag de perszaal, op dezelfde manier als destijds de klas: klaar om toe te slaan, als een wolf op zijn prooi.
Het terrein dat Kleijngeld tegenwoordig moet overzien is groter, maar hij doet het met dezelfde vinnige allure. En wellicht is hij nu aan nóg groter terrein toe. Onwillekeurig koppel ik deze gedachte aan een vacature die bij ons vrij komt. Bij zijn rentree in Tilburg zou het bij enkele duizenden oud-leerlingen in elk geval bij voorbaat dun door de broek lopen. En in de raad zouden ze ook gauw weten waar de grenzen lagen: ,,Vooral niet mee lachen."