Geplaatst

ANALISTEN (2)

Previously on Stadsgezichten: bij het begin van een nieuw voetbalseizoen blikt de schrijver terug op de tijd dat hij nog seizoenkaarthouder van Willem II was. Hij herinnert zich tribuneklanten als de puriteinse verzekeringsagent, de loeiende taxichauffeur en de bingokoning die in zijn niets en niemand ontziende commentaar vooral vaak afgaf op de libero die zijn broek niet graag vuil maakte. Op een dag stortte de libero die zijn broek niet graag vuil maakte kermend ter aarde. Het leek er niet op dat hij nog overeind zou komen. ,,Ze hebben ´m zeker vûr zunne kut geschupt, dè aaw wèèf!” grauwde de bingokoning. ,,Hil zunne kut leej ope!” Daar ik wist dat de schoonvader van de libero die zijn broek niet graag vuil maakte pal achter ons zat, besloot ik de bingokoning tot kalmte te manen. ,,Zijn schoonvader zit vlak achter je!” siste ik hem toe. ,,De schôonvadder van diejen homo? Waor?” baste de bingokoning en hij draaide zich speurend om. ,,Je kijkt ‘m nu recht in z’n gezicht” zuchtte ik. Terwijl hij de schoonvader onbewogen aan bleef staren sprak hij: ,,Daor heb ik ut hoer aon!” Buiten het wedstrijdverloop werd er nog veel meer besproken op Vak JJ. Die keer dat het Willem II-stadion het vermaarde ‘Monsters of Rock’-festival had geherbergd was destijds bijvoorbeeld een geliefd item. Vooral bij de hoogbejaarde seizoenkaarthouder, die vanuit zijn appartement op de toenmalige Heinekenflat het geheel van bovenaf had aanschouwd. ,,Vûral Kiss en Iron Maiden ware goed” glunderde de oude man nog na. ,,Nèè, as Monsters of Rock volgend jaor wir hier speult gao ik er naor toe! Dan wil ik er wel is tussestaon. En dan hoop ik wel dè AC/DC ôk komt. Ik heb thèùs unne videobaand van AC/DC en dan ziede zôn rek meej van die flesse staon en dan begint AC/DC te speule en dan flikkere die flesse naor beneje en dan dè rek en dan valt dieje muur om…En dè vèèn ik wel zôo fascinerend, hè, daor kèèke we iedere week wel unne keer naor!” Maar al deze commentaren en ontboezemingen konden mij toch niet voor Vak JJ behouden. Mijn interesse in het voetbal verflauwde en ik verloor alle JJ-ers uit het oog. Want zo gaat dat. Ik heb geen idee wat er van ze geworden is. Van de bingokoning, die ik als enige van buiten het stadion kende, weet ik dat ie niet meer leeft. Van de bejaarde hardrocker mag ik genoegzaam aannemen dat hij ook niet meer onder ons is. Als de schoonvader van de veelbekritiseerde libero nog leeft zal hij de leeftijd der zeer sterken bereikt hebben. Of zijn schoonzoon nog steeds zijn schoonzoon is zou ik niet weten. De loeiende taxichauffeur schat ik op minstens een hartinfarct, de puriteinse verzekeringsagent zal wel minstens VUT-gerechtigd zijn. Maar ik gis maar wat, ze zijn allemaal in de mist verdwenen. Maar ééntje zie ik soms dus nog lopen. De man was destijds al aan een oog blind, nu loopt hij met een geleidestok. En voor alleen de geluiden zal hij wel niet meer naar het stadion gaan. Dat uitgerekend wíj elkaar als enige seizoenkaarthouders van toen nog in het wild tegenkomen is vast geen toeval. We horen er immers alle twee niet meer bij.