Geplaatst

Mevrouw Cecilia zit al op de witgelakte bank tussen de bloeiende theerozen, die niks met thee te maken hebben, maar wel heel erg lekker ruiken. Hoewel. Akkie knijpt snel haar neus dicht. Het stinkt hier eigenlijk heel erg naar poep.
Mevrouw Cecilia wijst op de zak die naast de bank staat. ‘Mest. Dat moet zo nu en dan ook gebeuren.’Haar grijze haren pieken alle kanten op en haar gezicht zit vol vuile strepen. Ze draagt een soort overal die wel van allerlei andere kleren aan elkaar gezet lijkt te zijn. Bovendien koekt er overal modder en aarde en gras en klei aan. Maar dat kan mevrouw Cecilia allemaal niks schelen. Als ze in de tuin werkt dan werkt ze in de tuin en niks geen gemekker over netjes en schoon. Mevrouw Cecilia weet welke dingen belangrijk zijn en welke dingen niet.

Akkie zet Henriëtta op mevrouw Cecilia’s hoofd. Op hetzelfde moment knijpt een grote ijzeren vuist in haar hart. De verhuizing! Als ze gaan verhuizen raakt ze dit allemaal ook nog kwijt: mevrouw Cecilia, De Platanen, Gertrude, Henriëtta, Josefien (voor de fruitboompjes), Emilie (voor de wilde-bloementuin), en Lady Laura (voor het gazon). En niet te vergeten Winnie de Poe, Akkies eigen tuinhoed. Een gele muts met berenoren die mevrouw Cecilia haar altijd leent. Een belachelijk ding natuurlijk, maar Akkie is er aan gehecht geraakt. Ze weet nog goed dat ze Winnie de eerste keer droeg. Ze was de hele middag bezig geweest vlijtige liesjes te planten en toen ze tegen etenstijd naar huis ging was ze vergeten dat ze Winnie nog op had. Twee jongens uit haar klas hadden haar gezien. Akkie durfde bijna niet meer naar school en ze was mega-nijdig op mevrouw Cecilia geweest, dat die haar zo voor gek had laten lopen en niks gezegd had.
‘Dat jij je iets aantrekt van wat die Gregor en Aloïs zeggen! Voor gek! Met mijn Winnie?’ had mevrouw Cecilia uitgeroepen toen Akkie haar weken later toch maar weer eens opzocht.
‘Die twee noem jij toch altijd die slome duikelaars? Jeetje, Akkie, ik dacht dat jij verstandiger was.’
Als Akkie haar niet had vastgegrepen was mevrouw Cecilia van de tuinbank in het vijvertje gekukeld, zo hard moest ze lachen.
‘Wie is er hier nou een duikelaar?’ had ze weten uit te brengen en toen hadden ze alletwee weer helemaal slap van het lachen gelegen en mevrouw Cecilia was met één been in de vijver gezakt, en dat kwam helemaal groen van het kroos weer boven.
‘Ach,’ had ze droogjes gezegd. ‘Groen is mijn lievelingskleur.’

Akkie kijkt naar mevrouw Cecilia, en die kijkt haar onderzoekend aan en klopt naast zich op de bank.
‘Kom even zitten,’ zegt ze.
Akkie voelt de tranen ineens prikken. Voor ze het weet rollen ze uit haar ogen en kietelen ze over haar wangen. Dan huilt ze ineens.
‘We g-g-gaan vu-vu-verhui-hui-zen.’
Mevrouw Cecilia legt een arm om haar schouders.
‘Ik heb het gehoord,’ zegt ze. ‘Maar waarom vind je dat zo erg? Lijkt het je niet leuk, alles nieuw? Nieuw huis, nieuwe vrienden?’
‘Ik heb al een huis en ik heb al vrienden.’
‘Een nieuwe school dan,’ zegt mevrouw Cecilia opgewekt. ‘Je hebt het altijd over je stomme school. Gisteren zei je nog dat ze alleen op jouw school zoveel huiswerk opgaven. Nou, kijk aan. Je gaat lekker naar een nieuwe school. Probleem opgelost.’
‘O, wat grappig,’ zegt Akkie. Kijk, dat is nou weer een minpuntje aan mevrouw Cecilia. Ze laat je er altijd inlopen met flauwe slimmigheden.
‘Nou, en toch wil ik niet verhuizen.’
‘Ik ben ook ooit verhuisd,’ zegt mevrouw Cecilia. ‘Heb ik je dat al eens verteld?’
‘Ja,’ zegt ze als Akkie opkijkt. ‘O, al heel lang geleden. Dertig jaar wordt het dit jaar. Mijn man en ik kochten De Platanen toen we nog jong waren.’
Ze lacht en duwt Akkies mond dicht. ‘Het tocht hier.’
Akkie kan niet geloven wat ze net gehoord heeft. Een man. Mevrouw Cecilia heeft een man?
Mevrouw Cecilia lacht.
‘Ja,’ zegt ze. ‘Ik was getrouwd, met Oscar.’

wordt vervolgd