Geplaatst

Moskou

     Moskou verandert niet, denk ik eerst. Het poorthuisje van de Academie voor Staatsambtenaren is tijdlozer dan God. Niet oud, niet jong, wel lelijk. Bezoekers schudden de sneeuw van hun schoenen. Aangekomen! Op de vloer trekt winterse smurrie bruine strepen in een ondiepe waterplas. Deuren gaan open en dicht. Warmte en koude kruisen elkaar rakelings. Rondom de heren hangt een waas van winter. De dames met hun dikke mutsen leiden een leven zonder gelaat. Je ziet alleen wangen, en lippen met een opgeschorte herinnering aan liefde.

     De ambtenaar is wellicht een vrouw. Ze vraagt papieren en noteert zorgvuldig belangrijke gegevens. Het is niet hier dat de werkelijkheid zal ontsporen. Mensen worden namen in een register met grijsblauwe lijnen. Dan mogen ze naar binnen. En wacht hen een spannend seminarie over godsdienstvrijheid. Een co-productie met een aantal Amerikaanse universiteiten: Baylor, Brigham Young.

     En toch verandert Moskou wél. De bureaucratie blijft, als een baken in het bestaan. Maar de seminaries verlopen vandaag heel wat evenwichtiger dan pakweg tien jaar geleden. Het Sovjetimperium was net gevallen. Zwijgend luisterden Russische ambtenaren naar de wijze woorden van de overwinnaars. Want overwinnaars waren ze, de Amerikanen. Gewonnen oorlogen verliezen ze, maar ongewapend zijn ze ontwapenend, veroveren ze Moskou. Na de val streken er de vreemdste vogels neer. Bedrijfsleiders die zich dicht bij de heer wisten, sponsorden seminaries over godsdienstvrijheid. Ik herinner me hoe een zeepbellenfabrikant uit Alabama, een zekere Baxter, met trillende onderlip een redevoering hield over religious education at home. Op school bid je niet, oreerde hij, scheiding van kerk en staat nietwaar, maar thuis dient de schade te worden ingehaald. Zijn vrouw filmde hem. Hij was lelijk. Zijn publiek fungeerde slechts als decor, een rol die het met groot plichtsbewustzijn vervulde.

     Een decennium later zijn de rollen weliswaar niet omgekeerd, maar toch, er is een soort van evenwicht ontstaan. Amerikaanse academici en Russische ambtenaren hebben zich gezamenlijk tot de twijfel bekeerd. Zij erkennen hun falen. Zij verontschuldigen zich om de fouten die ze hebben gemaakt, om hun fanatisme, om de doden, om het geknakte riet. Ze doen dat elk op hun manier.

     Mooi eigenlijk. Wanneer mensen machtig zijn, lijken ze allemaal op elkaar. In de macht en in de dood zijn alle mensen gelijk. Maar in de wijze waarop iemand faalt, dat erkent, zich verontschuldigt, zich weer opricht, onderscheidt hij zich van zijn medemens.

     Sommige Amerikanen bieden hun excuses aan zoals ze ’s ochtends how are you today? zeggen, als een formaliteit, zonder enige poging tot menselijk contact.

     Maar ook oprechtheid gaat hen niet goed af. Ed Gaffney, mijn goede collega van de Valparaiso University School of Law, begint zijn toespraak met welgemeende verontschuldigingen. Wij Amerikanen hebben altijd al fouten gemaakt, meldt hij. Denk maar aan het trieste lot van de Indianen, aan de zwarte slaven, aan de moord op de beste onder onze presidenten (Bush hoeft niet bang te zijn), aan de Varkensbaai, aan de bommen op Hanoi, aan Irak. Wij leren het maar niet, dus waarom zouden wij u hier, in Moskou, in deze prachtige stad met haar rijke geschiedenis, de les komen spellen? En hij citeert langdurig uit De gebroeders Karamazow, de tolken zorgen ijverig voor een accurate Russische vertaling. Ed Gaffney is ongetwijfeld oprecht. En een Amerikaans intellectueel die zich oprecht excuseert, lijdt werkelijk onder zijn mislukking. Eens op dreef, kan hij niet anders dan zich te verontschuldigen voor het loutere feit van zijn bestaan. Voor falen kent een Amerikaan geen genade, ook niet voor dat van hemzelf. De schoonheid van de nederlaag is hem vreemd.

     De Russen verontschuldigen zich anders. Hun religieuze politiek was niet altijd een succes. Wanneer de Sovjetburgers dankzij de perestrojka hun gebreken weerom mochten koesteren, keerden oude religieuze gevoelens terug in al hun overmoedige absoluutheid. Wat doe je daarmee in gebieden met meer dan vijftig procent moslims? En wat vang je aan met nostalgische orthodoxen die vrezen voor de ziel van hun land? Waakzaamheid is kleinburgerlijk, en tolerantie naïef. Wij hebben fouten gemaakt, bekennen een paar ambtenaren, heel veel fouten, en wij zullen er nog maken. Talloos zijn de mislukkingen die wij tegemoet gaan. Zij zeggen dit niet met plezier, maar wel met de rustige zakelijkheid van iemand die de mislukking persoonlijk kent en met haar een intieme band heeft ontwikkeld. De mislukking, de excuses, het is misschien nog allemaal zo erg niet. Terwijl de falende Amerikaan niets anders rest dan zijn bestaan te bewenen, bereikt de falende Rus een hogere dimensie van waarheid. De mislukking leidt tot transfiguratie. Het vergaat de Russen zoals personages van Dostojewski die pas in de nederlaag en het falen hun beste, meest nobele eigenschappen ontdekken.

     Aan dat alles dacht ik zondagavond op de terugweg naar Brussel, bij het lezen van La femme qui attendait, het boek van Andreï Makine, zelf geboren in Siberië. Vera, een dorpsmeisje van zestien, ziet haar vriend naar de oorlog vertrekken. Hij komt niet terug. Zij blijft op hem wachten, dertig jaar lang. Al die tijd draagt ze zorg voor oude vrouwen – de mannen zijn gesneuveld – in haar dorp met steeds minder inwoners. Plots blijkt dat haar verdwenen vriend niet dood is, maar een succesvol apparatsjik in Moskou, trotse grootvader bovendien. Vera verbreekt het wachten en gaat met een jongere man naar bed, éénmaal. Twee ogenschijnlijk ingrijpende gebeurtenissen. Genoeg om niet meer te willen bestaan. Maar zie, niets verandert, alles blijft zoals de vorige dertig jaar, wordt nog mooier door de onvolmaaktheid die het falen aan het leven toevoegt. De toekomst is de herinnering aan wat nooit is geweest.

Rik Torfs