Geplaatst

Een week of drie geleden hoorde en zag ik de laatste. In een conifeer van de buren, tegen de schutting van mijn tuin. Sindsdien is het stil. Ik mis ze. Ik mis hun gekwetter, hun geruzie, hun vrolijkheid.

Ik stond altijd opgewekter op als ik door het open slaapkamerraam eerst hun gekwetterende gesprekken had gehoord. Als ik thuiskwam van vakantie en de tuin in liep, en ze niet hoorde, miste ik iets zonder dat ik meteen besefte wat. Ik merkte alleen: iets was niet in orde. En dan besefte ik het: ik hoorde niet hun gekwebbel. Ze waren er niet, en groot was de opluchting als ze opeens weer verschenen, een hele vlucht ineens. Ze waren alleen even wat verderop gaan kijken. Maar nu waren ze terug.

Het werden er elk jaar minder, twaalf jaar achter elkaar elk jaar minder. Eerst viel het nauwelijks op, maar van dertig liep het aantal terug naar twintig, vier jaar geleden zullen het er nog tien à twaalf geweest zijn, vorig jaar waren ze tijdenlang weg, maar af en toe zaten er toch weer even een paar in de bomen en klimop, dit voorjaar broedden er nog twee paartjes onder de dakpannen bij de buren, waar voorheen zeker vijftien paartjes of meer broedden.

En nu is het helemaal stil. Ook de mezen zijn verdwenen, en de heggemussen, en de roodborstjes. De tortels en merels.

Ze gingen zich langzamerhand ook anders gedragen. Voorheen waren ze rumoerig en vlogen kwetterend van schoorsteen naar dakgoot naar boom. Met de tijd werden ze schuwer, banger, onnatuurlijk rustig. En als ze helemaal zwegen, keek ik naar buiten en zag hem zitten op de dakgoot, de oorzaak van de stilte, klaar om de eerste mus te grijpen die zich roerde.

De afgelopen tien jaar zijn er hier in de omgeving 6.000 kleine vogels ten slachtoffer gevallen. Ze vielen onder alle soorten kleine vogels die hier voorkomen. Maar vooral onder de mussen. Die hebben als voer gediend voor het grootbrengen van jongen in tien nesten van een andere vogel, elk jaar een nest. Elk jaar had die vogel, dat vogelpaar, 600 tot 1000 kleine vogels nodig om de jongen groot te brengen en zichzelf te voeden.

De eerste keer vond ik het geweldig om te zien: als een schim vloog zij, soms hij, over de tuin, bijna te snel om waar te nemen. Daarop hoorde ik het schrille gepiep, het laatste teken van leven van de mus in zijn of haar klauw. De gele klauw sloot om de nek van de mus, de sperwer keek om zich heen, spiedend naar gevaar, en wachtte tot zijn prooi gestikt was. Ik was getuige van het treffen van jager en prooi. Prachtig. Trots ook vertelde de dierenarts hier in de wijk toen ik haar vorig jaar bezocht: ‘Ze zit zich soms te wassen op het dak hiernaast. Prachtig. Ik kan haar goed zien.’

Sinds een aantal jaren kijk ik daar anders tegenaan. Een sperwer is mooi. Is indrukwekkend. En dodelijk voor kleine vogels. Sparrowhawk heet ze in het Engels: mussenhavik. En ze broedt al meer dan tien jaar in de hoge bomen van de tuin van het kapucijnenklooster aan de Korvelseweg, en in het park ernaast.

Niemand heeft de trom geroerd. Is het iedereen ontgaan? Ook onze stadsbiologen? Of hebben we die niet? Niemand heb ik voorstellen horen doen om onze kleine tuinbewoners te beschermen tegen deze ramp. De mussenstand zou achteruit zijn gegaan en achteruitgaan omdat er te weinig nestgelegenheid is in de stad. De moderne pannendaken bieden geen nestgelegenheid. Dat is niet zo.

Moeten we de natuur zijn gang laten gaan, ook in een volkomen kunstmatige omgeving als de stad? Ik weet niet of overal in de stad de tuinen er even desolaat bijliggen, zonder vogelgeluiden. Hier in Sint-Anna is het stil als op een kerkhof. Wellicht ook in de wijken Oerle, Korvel en Berkdijk. En dat zal niet meer veranderen. Waar de mussenpopulatie is uitgeroeid, keert ze niet meer terug. We kunnen vanaf volgend jaar beginnen het nest van de sperwer te verstoren, maar mag dat wel? Van de wet? De vogelliefhebbers?

Het klonk angstig en schriel. Verloren. Dat geluid van de laatste mus, van de mus die verderop toch nog een ander mussengeluid hoorde, en daar geluidloos naartoe vloog. Terwijl in de boomtoppen een sperwerjong luidkeels bedelde om voer. Om mussen.

Weet iemand hoe je sperwers terugjaagt naar het bos?

Reacties

Eén reactie op “Sluipende tragedie in wijk Sint Anna”

  1. henk avatar
    henk

    Het lijkt alsof er zich nu ook een tragedie afspeelt in de wijk Jeruzalem. Op plekken waar ik daar altijd mussen zag heb ik ze nu al drie keer niet meer gezien. Daar valt met zekerheid nog niets uit te concluderen, maar wellicht kan hier toch iets heel frappants worden vastgesteld als ook anderen speciaal willen opletten hoe het hier met de mussen verder gaat. Wat ik zag was in elk geval dat daar bij de tot dusver gerenoveerde huizen de tuinen ook allemaal grondig waren aangepakt. De zo karakteristieke, oude, voor sperwers ondoordringbare ligusterhagen waren allemaal gesloopt, de meeste tuinen werden helemaal leeg en kaal weer opgeleverd. En toch wel heel frappant was dat ik daar ineens van de vertrouwde mussenkolonies geen enkele mus meer tegenkwam. Wel nog op de plekken waar de renovatie nog niet had toegeslagen en het oude Jeruzalem met zijn zo typerende ligusterhagen nog intact was. Was wat ik zag toevallig? Interessant in elk geval om verder te bestuderen. Misschien willen/kunnen mensen hier de komende tijd melding doen van mussenwaarnemingen in Jeruzalem?