Schrok je wakker? Ja, ik schrok wakker. En de stad? De stad was weg. Geen stad, geen dichter. Opluchting groot (de angst
groot te zijn. Wie groot wil zijn moet gaan. Wie groot wil zijn moet op eigen benen staan (een kop als een halve dop, nooit ontsnapt aan het ei. Wat is dat voor een snoeshaan? Een kale.
Een poot? Een kale poot. Om op te staan? Naar ‘m roepen kunnen we. Op ‘m poepen kunnen we. In de drek zal hij eitjes leggen (of de stad legt hem
over de knie, een corrigerende tik (maak je niet zo dik, jij kind van de Kruikzeiker, kind van de Moderne Industriestad, de Eeuwig Schoonstad, made in X-burg, leven barend steenkadaver, jij.